Filosofisch café

Arnold Ziegelaar

Impressie van de bijeenkomst van het Filosofisch Café Haarlem op 15 november 2017

Op deze avond hield Arnold Ziegelaar een inleiding voor zo’n 80 aanwezigen over zijn boek:
Oorspronkelijk bewustzijn. Een kritiek van de neuromane rede.

Arnold Ziegelaar is filosoof, beeldend kunstenaar en schrijver. Hij studeerde aanvankelijk natuurkunde, maar studeerde af als filosoof bij de Universiteit Leiden. Hij is als docent filosofie werkzaam in het hoger onderwijs, bij de HOVO en het ISVW.

Ben ik voor u aanwezig in gestalte en klank, ziet u mij en hoort u mij, nu op dit moment?
Met deze vraag begon Arnold zijn inleiding. Nadat de aanwezigen hierop positief hadden gereageerd heeft Arnold de aanwezigen gefeliciteerd: ‘U bent een bewust wezen’.

Hierna gaf Arnold zijn definitie van bewustzijn is: Dat er iets voor mij aanwezig is.

Bewustzijn is de kern van het mens zijn. De mens is een ervarend (lijden, geluk, herinnering, verwachting, klank, kleur, geur, liefde, vreugde, wanhoop, angst), een bewust wezen.

Dit bewustzijn is een mysterie, een wonder maar niet bovennatuurlijk. Net zoals ruimte en tijd niet bovennatuurlijk zijn. Bewustzijn is geen wonder omdat het zich aan natuurwetten onttrekt maar het is een wonder omdat het een eigenheid is die uit niets anders is te begrijpen, uit niets anders is af te leiden; het is een oorspronkelijke dimensie.

Arnold geeft aan dat zijn filosofische studie van het bewustzijn, dat non-theïstisch is, in het kader staat van de herwinning van een mystieke verhouding tot de werkelijkheid, tot de natuur.

In de natuur heb je het bestaansmysterie en het zijnsmysterie. Over het bestaansmysterie wordt al sinds 1714 nagedacht toen de Duitse filosoof Gottfried Leibniz de vraag stelde: ‘Waarom is er iets en niet niets?’ Bij het zijnsmysterie komt het bewustzijn om de hoek kijken. ‘Waarom is er iets voor mij?

Arnold geeft aan dat het bewustzijn voor hem een fundamenteel mysterie is net als ruimte en tijd. En dat hij hiermee kritiek levert op het neuromane denken, dat ook binnen de filosofie is opgerukt. Hier wordt bij het woord bewustzijn gelijk overgeschakeld naar de hersenprocessen. Maar deze hersenprocessen zijn niets anders dan uiterst complexe, uiterst ingewikkelde patronen van elektromagnetische activiteit. Bewustzijn heeft wel te maken met hersenprocessen, maar het is géén hersenproces. De hersenwetenschappers hebben hierin een overdreven pretentie.

De mens is namelijk een geestelijk wezen met een bewustzijn dat de fysieke materiële wereld en de psychische wereld van de gedachte en herinneringen, tegelijk waarneemt in het bewustzijn als eerste en enige theater.  In verbinding met het bewustzijn krijgt tijd een ander karakter. De fysische ééndimensionale definitie wordt dan een triniteit van: verleden – heden – toekomst. Hierdoor wordt de tijd rijker aan inhoud, er ontstaat een geschiedenis. Bewustzijn is individueel en in samenhang met ruimte en tijd wordt dat het meest concreet in de zin: Ik ben nu hier!

Bewustzijn vertoont ook lacunes, het kan wegvallen in diepe slaap, narcose en bewusteloosheid, het heeft een graad van helderheid (die ook nul kan zijn) en het heeft een voorgrond–achtergrond structuur bij het richten van de aandacht. Ondanks deze lacunes geeft het bewustzijn wel een continuïteit van je levensloop. Als je ‘s ochtends wakker wordt dan keert je bewustzijn terug zonder dat je levensloop is onderbroken.

Arnold geeft aan dat Engelse filosofen ‘qualia’ hebben gedefinieerd voor de beschrijving van de fenomenale kwaliteiten van de ervaringswereld. Het gaat dan om: het rood van de roos, het blauw van de hemel, de geur van koffie, de smaak van bier, vermoeidheid, misselijkheid, de textuur van steen, et cetera. Deze qualia zijn de bouwstenen van de ervaringswereld en zijn ook nodig voor de concretisering van de ervaringswereld. Hierdoor raak je ook vertrouwd met de echte wereld met de mensen, gebouwen, planten, dieren et cetera.

Nu naar het 2e deel van het boek: Waarom is er bewustzijn?

Hiervoor zijn een aantal op wetenschappelijke grondslag gebaseerde verklaringen.

Het Fysicalisme gaat er met de Identiteitstheorie vanuit dat mentale verschijnselen gelijk zijn aan fysieke verschijnselen, ofwel de geest is niets anders dan een hersenproces.

Het Emergentisme of Cartesiaans fysicalisme (Rene Descartes 1596 – 1650) definieert het bewustzijn als een holistische systeemeigenschap, waarbij emergentie duidt op het veronderstelde voortkomen van de geest uit de materie. Er is wel een verschil (dualisme) maar de hersenen brengen het bewustzijn voort.

Arnold geeft aan dat dit moeilijk te begrijpen is. De werking van de gal en de lever is biomechanisch te zien en te begrijpen, maar het bewustzijn is niet te zien in de hersenen. Ook het bekende gedachte-experiment met de kleurenwetenschapper toont dit aan.

Mary is kleurenwetenschapper. Ze weet alles van kleuren. Ze weet waarom tomaten rood zijn, wat er in onze hersenen gebeurt als we rood waarnemen en hoe we de termen ‘rood’ en ‘blauw’ gebruiken. Ze zit echter opgesloten in een kamer waar alles zwart en wit is, en ze bekijkt de wereld via een zwart-wit televisiescherm. Stel ze gaat nu de wereld in, ze mag haar zwart-witte kamer verlaten, leert ze dan iets nieuws? Dit gedachte-experiment is een argument tegen fysicalisme. Fysicalisme gaat er vanuit dat alles in de wereld volledig te beschrijven is aan de hand van fysische eigenschappen. Maar is er niet meer? Mary weet alles van de fysische eigenschappen van kleur, maar in haar zwart-witte kamer weet ze niet hoe de kleur rood eruitziet. Het lijkt erop dat geen enkele fysische verklaring, hoe compleet ook, kan beschrijven wat er precies in ons hoofd gebeurt, hoe wij dingen waarnemen.

Arnold geeft aan dat dit voor hem bewijst dat het Fysicalisme onjuist is.

Ten aanzien van het bewustzijn is Arnold een Naturalistische dualist. Hierbij zijn hersenen een noodzakelijke maar geen voldoende voorwaarde voor bewustzijn. Net zoals een piano een noodzakelijke maar geen voldoende voorwaarde is voor pianomuziek (er is ook een pianist nodig).

Dit geeft ook een rehabilitatie van de ziel, van het zielsbegrip. De ziel krijgt een zekere autonomie. De ziel is ook de samenhang tussen gedachten en gevoelens. De ziel is dat deel van de fenomenale werkelijkheid dat je het meest nabij is.

Na de pauze ging Arnold Ziegelaar in op vragen vanuit de zaal.

De eerste vragensteller vond het vreemd dat Arnold zijn inleiding begon met de vragen, Ziet u mij? en Hoort u mij?, twee activiteiten met werkwoorden, om daarna te komen tot een definitie van bewustzijn (Dat er iets voor mij aanwezig is) zonder werkwoord.
Arnold gaf aan dat bewustzijn niet beperkt is tot waarnemen maar dat ook emoties en herinneringen hiervan deel uitmaken. Bewustzijn is een overkoepelend begrip met een brede betekenis.

Als bewustzijn subjectief en niet waar te nemen is, hoe kan het dan worden gebruikt als verklaring voor het gedrag van mens en dier? Arnold gaf aan dat bewustzijn een verschijnsel is en géén verklaringsmodel.

Kan je van de 3-eenheid, bewustzijn, tijd en ruimte, niet de abstracte begrippen, tijd en ruimte, onder het bewustzijn scharen? Arnold gaf aan dat dit niet mogelijk is, want dan zouden tijd en ruimte afhankelijk zijn van het bewustzijn en dan zou je zonder bewustzijn geen tijd en ruimte hebben.

Waar is de materie in de triniteit van bewustzijn, tijd en ruimte? Arnold gaf aan dat de materie de natuur is, de dingen in tijd en ruimte.

Als iemand blind en doof wordt en daardoor minder waarnemingsprikkels krijgt, heeft dat dan invloed op zijn bewustzijn? Arnold geeft aan dat het geen invloed heeft op het bewustzijn, maar wel op de manier waarop de aandacht wordt gericht; de voorgrond – achtergrond verandert en de waarnemingen via het gehoor zullen belangrijker worden.

Waar blijft het bewustzijn als we allemaal dood zijn? Arnold is geen aanhanger van het Kosmisch bewustzijn; dus als we allemaal dood zijn, dan is het bewustzijn gewoon weg, het bewustzijn kan gewoon verdwijnen net zoals in je slaap of in narcose.

Wat zou professor Luijpen hiervan vinden vanuit zijn existentiële fenomenologie? Voor Luijpen is de mens existentie, zonder de mens is er niets. De tafel bestaat niet voor de stoel alleen voor de mens.

Arnold geeft aan dat de colleges van professor Luijpen hem hebben geïnspireerd om filosofie te gaan studeren en hij vindt dat de materie onafhankelijk is van de mens maar wel toegankelijk vóór de mens.

Is bewustzijn gewoon geen emergente eigenschap van complexe systemen? Arnold geeft aan dat dit niet hard te maken is voor bewustzijn. Bewustzijn is ook zo volstrekt anders dan de reguliere hersenprocessen. En pas op met het woord emergentie want dit wordt vaak gebruikt als men het niet weet!

Als robots met artificiële intelligentie zo slim worden dat het verschil met een mens niet meer is vast te stellen door de Turingtest, kan er dan sprake zijn van bewustzijn bij die robot?

Het doel van artificiële intelligentie is de ontwikkeling van een computer met een bewustzijn dat gelijkt op dat van menselijke wezens en bouwt voort op de bekende Turing-test. In de Turing-test wordt een computer geplaatst in een afzonderlijke kamer, naast een andere kamer waarin zich een menselijk persoon bevindt. De beide personen worden afgezonderd van een derde persoon die aan beiden vragen stelt. Wanneer voor de derde persoon de antwoorden van de computer ononderscheidbaar zijn van de antwoorden van de menselijke persoon, dan wijst dit er volgens Turing op dat de computer kan denken.

Arnold geeft aan dat je geen bewustzijn kan vaststellen bij een robot en zeker niet met de Turingtest. Zijn definitie van bewustzijn gaat uit van de 1e persoon (voor mij) en de Turingtest van de 3e persoon.

Arnold geeft aan dat er nog een ander gedachte-experiment is van John Searle, de Chinese kamer.

Een proefpersoon die geen woord Chinees kent wordt opgesloten in een kamer. In de kamer is verder alleen een boek, schrijfgerei en vellen papier, sommige leeg en sommige beschreven in Chinees schrift, geordend in stapels. Via een gleuf in de muur worden voedsel, inkt en nieuwe vellen papier aangeleverd. Het boek bevat instructies in de moedertaal van de proefpersoon, die beschrijven hoe te reageren op een binnenkomend vel, afhankelijk van het symbool dat erop staat: schrijf een teken op een vel en leg dat op de linkerstapel, gooi het bovenste vel van de rechterstapel door de gleuf, enz.

Als we de kamer als geheel beschouwen, vervult deze de rol van een gegevensverwerkend systeem, oftewel een computer. De proefpersoon is dan de centrale verwerkingseenheid (processor), het boek een programma en de stapels papier vormen het geheugen.

Stel nu dat dit systeem slaagt voor de Turingtest: dat mensen die ermee converseren (door vellen papier toe te sturen en terug te lezen) geen enkele reden kunnen vinden om aan te nemen dat ze niet met een intelligent, Chinees sprekende persoon aan het converseren zijn. Searle vraagt: zou het terecht zijn om dit systeem intelligent te noemen? Kunnen we zeggen dat het Chinees begrijpt?

Hij betoogt dat het antwoord nee is. Want, vraagt hij: in welk deel van het systeem is dit begrip dan aanwezig? De persoon die erin zit volgt slechts de regels; hij heeft geen idee waar de conversatie die hij voert over gaat. Het boek en de vellen papier kunnen evenmin Chinees begrijpen. Kortom: geen enkel deel van het systeem begrijpt Chinees.

Hetzelfde geldt volgens Searle voor computers, die slechts symboolverwerkende machines zijn, zonder enig begrip van hun eigen handelen. Sterke kunstmatige intelligentie is daarmee onmogelijk.

Arnold geeft aan dat het lijkt dat de proefpersoon echt in het Chinees kan denken en een Chinees bewustzijn heeft, maar dit is evident niet zo.

Een aanwezige merkt op dat in dit geval de Chinese kamer het bewustzijn heeft gekregen.

Dit was een mooie afsluitende opmerking van een bijzondere avond met een levendige discussie.
Na afloop bleef Arnold Ziegelaar aanwezig om vragen te beantwoorden en boeken te signeren.

 

Gerrit van Elburg